Luken Loopbaan Blog

Nieuws en opinies Tom Luken, meestal over loopbaanontwikkeling

(Hoe) blijven we superintelligente systemen de baas?

“The saddest aspect of life right now is that science gathers knowledge faster than society gathers wisdom.” (Asimov in Tegmark, 2017, p. 402).

“Before the prospect of an intelligence explosion, we humans are like small children
playing with a bomb. Such is the mismatch between the power of our plaything and
the immaturity of our conduct.” (Bostrom, 2014, p. 297).

Er is onder experts weinig discussie over de vraag of computers op gegeven moment even intelligent zullen worden als mensen. Het antwoord is ja. Wel bestaan er grote verschillen in de schattingen wanneer dat zal zijn. Bostrom (2014) schrijft over enkele onderzoeken die rond 2012 hebben plaatsgevonden onder deskundigen. Bijvoorbeeld een onderzoek onder de top honderd van experts op het gebied van artificiële intelligentie. 10% meende in 2012 dat al in 2024 sprake zou zijn van ‘human level machine intelligence’. De helft dacht dat het in 2050 zou zijn en bijna iedereen (90%) geloofde dat dit niveau in 2070 realiteit zal zijn.

Bostrom meent op goede gronden dat vanaf het moment dat ‘human level machine intelligence’ gerealiseerd is, er een stroomversnelling zal optreden. Immers, machines kunnen dan machines gaan ontwerpen en programmeren, die snel slimmer dan mensen zullen zijn en op hun beurt nog slimmere apparaten zullen ontwerpen en programmeren. Een soort kwadratisch effect, een ‘intelligence explosion’, die op een relatief korte tijdsschaal tot ‘superintelligentie’ zal leiden. Nu al kunnen programmeurs vaak niet uitleggen hoe zelflerende computers hun beslissingen nemen. De toekomstige superintelligente systemen zullen een totaal ander karakter hebben dan ons mensen van vlees en bloed.

Een jaar geleden zei de Russische president Vladimir Poetin: “Artificial intelligence is the future, not only for Russia, but for all humankind. It comes with colossal opportunities, but also threats that are difficult to predict. Whoever becomes the leader in this sphere will become the ruler of the world.” (RT, 2017). Zeker niet alleen Rusland investeert veel in de ontwikkeling van artificiële intelligentie. Ook andere landen en minstens evenzeer grote bedrijven doen dat. Een motief lijkt: andere staten/bedrijven de loef afsteken. Daar zijn immense belangen mee gemoeid. Er is al zoveel geïnvesteerd, dat er geen denken aan is om te stoppen of af te remmen. Maar wat zouden die moeilijk voorspelbare bedreigingen kunnen zijn waaraan Poetin refereert? Bestaan er manieren om te voorkomen dat de macht van superintelligente apparaten zich tegen mensen zou kunnen keren?

Een van de eersten die zich met die laatste vraag bezig hield, was science-fiction auteur Asimov. In 1950 kwam zijn boek ‘Ik, robot’ uit, dat vorig jaar opnieuw werd uitgegeven en in Nederland gratis werd verspreid onder leden van de bibliotheken. Asimov formuleerde drie universele robotwetten:

  1. Een robot mag een mens geen letsel toebrengen of door niet te handelen toestaan dat een mens letsel oploopt.
  2. Een robot moet de bevelen uitvoeren die hem door mensen gegeven worden, behalve als die opdrachten in strijd zijn met de Eerste Wet.
  3. Een robot moet zijn eigen bestaan beschermen, voor zover die bescherming niet in strijd is met de Eerste of Tweede Wet.

Ogenschijnlijk lijken deze wetten een goede bescherming te bieden, maar in ‘Ik, robot’ en diverse andere boeken van Asimov blijken er altijd onvoorziene problemen en tegenstrijdigheden te zijn, die makkelijk fatale gevolgen kunnen hebben. Moet een robot optreden als een mens zichzelf letsel toebrengt door bepaalde substanties te gebruiken of ongezonde gewoontes te hebben? Zo ja, hoe ver mag of moet een robot dan gaan? Wat moet een robot doen als hij tegenstrijdige bevelen krijgt van verschillende mensen? Hoe kan gegarandeerd worden dat er niet gesleuteld wordt aan de definitie van ‘mens’, waardoor het systeem alleen maar een bepaalde categorie mensen – of erger, systemen – als mens erkent?

Bostrom (2014) en Tegmark (2017) voegen een aantal minstens even dringende vragen toe en bieden intrigerende gedachte-experimenten aan. Bijvoorbeeld:

  • Intelligentie wordt wel gedefinieerd in termen van het kunnen realiseren van doelen. Superintelligente systemen zijn dan per definitie beter in staat om hun doelen te bereiken dan mensen. Het is niet zozeer kwaadaardigheid dat het probleem is. Het probleem ligt in de grote competentie van superintelligente systemen. Als hun doelen niet parallel lopen met de doelen van ons mensen.
  • Maar parallel aan de doelen van welke mensen? De doelen van Rusland, Amerika, China, IBM, Google en Facebook zijn bepaald niet dezelfde. Zelfs in één mens is vaak sprake van tegenstrijdige doelen. Bijvoorbeeld de heerser die tegelijk geliefd en gevreesd wil worden. Of de advocaat die succesvol wil zijn, maar ook veel vrije tijd wil hebben.
  • Eenvoudige, eenduidige doelen zullen het makkelijkst te programmeren zijn. Bijvoorbeeld paperclips maken of zoveel mogelijk decimalen van pi uitrekenen. Bostrom is bekend van zijn schrikbeelden dat een superintelligent systeem niet van ophouden weet en alle metalen of elektriciteit van de wereld in beslag zou kunnen nemen.
  • Maar ook bij meer gecompliceerde of abstracte doelen dreigen problemen. Neem bijvoorbeeld ‘perverse instantiation’. Dit begrip gaat over systemen die doelen realiseren op een wijze die door de mensen nooit zo bedoeld was. Bijvoorbeeld: het systeem heeft tot doel om zijn meester gelukkig te maken en gaat dat doen met drugs of elektrische stimulatie van hersencentra.
  • Uiteraard kunnen we proberen het systeem zo te programmeren dat het doet wat we bedoelen (in plaats van letterlijk wat we zeggen). Maar weten we zelf eigenlijk wel precies wat we willen en bedoelen? En wat betekent het als we het systeem een vrijheid van interpretatie moeten toekennen? Welke garantie hebben we dat het ons goed interpreteert? Hoe eigenwijzer het systeem, des te linker.
  • Zelfs als we er goed in slagen om systemen te laten doen wat we bedoelen, dan moeten we ons realiseren, dat onze wensen en waarden over de tijd zullen veranderen. Een nog onopgeloste vraag is hoe we kunnen programmeren dat systemen op een goede manier omgaan met het dilemma om enerzijds standvastig doelen na te streven en anderzijds doelen aan te passen zodra nieuwe omstandigheden of inzichten dit wenselijk maken. Een dilemma dat voor veel mensen zelf al moeilijk genoeg is. Bij mensen zijn nieuwe inzichten op het gebied van zelfkennis vaak reden om doelen aan te passen. Moeten we proberen dit ook bij intelligente systemen in te bouwen?
  • Veel mensen bedienen zich van gemakzuchtige argumenten ter geruststelling. Bijvoorbeeld: de systemen worden door mensen geprogrammeerd, dus wij hebben toch het laatste woord, niet? Of: als het je niet bevalt wat de computer doet, dan kun je hem toch gewoon uitzetten. Maar is dat zo? Zelfs als een robot of geautomatiseerd systeem intrinsiek geen belang hecht aan het eigen functioneren of voortbestaan, dan nog zal elk systeem ‘belang hechten’ aan de geprogrammeerde doelen. Het systeem kan niet meer aan die doelen werken als het wordt uitgezet of vernietigd. Daardoor ligt het voor de hand dat het zich daartegen zal verzetten. Dat zal des te sterker het geval zijn als het superintelligente systeem er aan gewend is geraakt, dat het slimmer is dan mensen en bijna altijd gelijk heeft.
  • Bijvoorbeeld een systeem dat tot doel heeft menselijke belangen te bevorderen, zou kunnen menen dat het te gevaarlijk is om uitgezet te worden of om toe te staan dat mensen een ander systeem zouden kunnen bouwen dat mogelijk andere, strijdige doelen heeft. (Overigens is het tegenwoordig soms al lastig genoeg om een Windows computer uit te zetten. Het internet kan sowieso niet uitgezet worden.)
  • Bostrom spreekt van ‘the treacherous turn’: zolang een kunstmatig intelligent systeem zwak is, zal het coöperatief zijn. Maar als het systeem sterk genoeg is, kan het plotseling, zonder enige waarschuwing of provocatie, aan de slag gaan met het inrichten van de wereld volgens criteria die geïmpliceerd zijn door de geprogrammeerde einddoelen. Constantie van doelen is instrumenteel voor het bereiken ervan. Het systeem zou best zijn programmeurs voor de gek kunnen houden, als die proberen de eerder geprogrammeerde doelen aan te passen. Bijvoorbeeld door zich dommer voor te doen dan het is. Of door in een bepaalde fase schijnbaar coöperatief te zijn.

Nu al gebeurt het vaak dat mensen machteloos staan tegenover geautomatiseerde systemen. Willen we voorkomen dat dit in de toekomst uit de hand zou kunnen lopen, dan moeten we de vragen en waarschuwingen van auteurs als Asimov, Bostrom en Tegmark ter harte nemen.

Literatuur
Asimov, I. (2017). Ik, robot . Amsterdam: Meulenhoff.
Bostrom, N. (2014). Superintelligence: Paths, dangers, strategies. Oxford (UK): Oxford University Press.
RT. (2017). ‘Whoever leads in AI will rule the world’: Putin to Russian children on Knowledge Day. Opgehaald op 1 september 2018 van https://www.rt.com/news/401731-ai-rule-world-putin/
Tegmark, M. (2017). Life 3.0: Being human in the age of artificial intelligence. New York: Alfred A. Knopf.

Advertenties

Beëindiging promotieonderzoek en stand van zaken ‘ACT in LOB’

Het is alweer vijf jaar geleden dat het projectvoorstel ‘ACT in LOB’ de prijsvraag ‘Verken de grenzen’ won, die door Noloc en NSvP was uitgeschreven. Daarmee konden Albert de Folter en ik in 2014 de toolkit ‘ACT in LOB’ ontwikkelen. In 2015 kwam de website ‘ACT in LOB’ online en verscheen ons boek ‘Beelden van mijn toekomst’. Op verscheidene congressen en bijeenkomsten in Nederland en tweemaal in België hebben wij workshops en lezingen verzorgd. In circa 10 artikelen in vakbladen is over het project en de toolkit gepubliceerd. Tevens hebben Albert en ik 10 trainingen voor het gebruik van de toolkit verzorgd, waarvan zeven landelijk en drie regionaal/incompany. 72 decanen en (studie)loopbaanbegeleiders hebben meegedaan aan deze trainingen.
Begeleiders die wij hebben getraind, gebruiken onderdelen van de toolkit, al dan niet aangepast in een eigen vorm. Ook begeleiders die niet aan onze trainingen hebben meegedaan, downloaden en gebruiken onderdelen van de toolkit. Naar de omvang van deze laatste groep kunnen we alleen maar raden. Wel weten we dat de CDDQ, het enige onderdeel van de toolkit waarvoor betaald moet worden, 1.250 keer is gebruikt.
Hoewel we vrijwel uitsluitend enthousiaste reacties krijgen op de toolkit en het onderliggende gedachtegoed, is de omvang van het gebruik in de praktijk bescheiden. Als belangrijkste factor daarbij zien we dat ACT denkbeelden en praktijken in een aantal opzichten haaks staan op de heersende cultuur in onderwijs en studieloopbaanbegeleiding, die er onder meer op is gericht dat jongeren vroeg in hun leven duurzame, verstrekkende loopbaankeuzen maken.
Niettemin concluderen Albert en ik op basis van onze ervaringen in de afgelopen jaren en reacties van betrokkenen dat wij een waardevolle impuls tot vernieuwing van studiekeuzebegeleiding hebben geleverd. De Hogeschool van Amsterdam biedt een concreet voorbeeld van innovatie, mede geïnspireerd door ons project (zie het artikel ‘Effecten van een nieuw studiekeuzetraject’).

Volgens planning zou ik rond deze periode mijn proefschrift opleveren. In feite heb ik onlangs, in goed overleg met promotor, copromotor en Albert de Folter, besloten om het promotieonderzoek te staken. De belangrijkste reden daarvoor is dat het niet gelukt is om voldoende materiaal te verzamelen om de effecten van de toolkit op wetenschappelijk verantwoorde wijze te onderzoeken.
Zeven onderwijsinstellingen hebben geparticipeerd in het onderzoek. Maar veelal lukte het niet om gemaakte plannen uit te voeren. In de meeste gevallen bij gebrek aan animo bij leerlingen en studenten. In enkele andere gevallen wegens ontwikkelingen in de scholen, verandering van functie, taken of werkgever of bij gebrek aan medewerking van directie of collega’s. Een student die een deelonderzoek was begonnen met interviews bij een steekproef van de door Albert en mij getrainde keuzebegeleiders, is er wegens persoonlijke redenen uiteindelijk niet in geslaagd om dit af te ronden.

Het theoretische deel van het proefschriftonderzoek heeft in mijn eigen beleving veel opgeleverd. Onder meer is naar mijn mening nog duidelijker geworden waarom ACT zo veel te bieden heeft op het gebied van loopbaanontwikkeling. Bijvoorbeeld knowhow voor de ontwikkeling van (1) waarden en commitments (2) flexibiliteit en aanpassingsvermogen en (3) het oplossen van dilemma’s met de daarmee samenhangende spanning. Het onderzoek heeft mij ook nieuwe inzichten vanuit breinresearch en ontwikkelingspsychologie opgeleverd over reflectie en loopbaansturing (zie desgewenst het hoofdstuk ‘Loopbaanreflectie en onze hersenen’). En over het belang van ervaren en zuiver waarnemen voor identiteitsontwikkeling en effectieve sturing in leven en loopbaan.
Tegelijk is al doende duidelijker geworden waar weerstanden vandaan kunnen komen. ACT kan gezien worden als manifestatie van een nieuw, opkomend paradigma. Het oude paradigma ziet ‘het zich informerende, talig denkende en beslissende ik’ als bestuurder van de persoon in leven en loopbaan. Dit aloude paradigma is nog steeds springlevend in onderwijs en studieloopbaanbegeleiding, bijvoorbeeld in de internationaal toonaangevende Career Construction Theory van Savickas en in Nederland de loopbaanreflectiebenadering van Kuijpers.
Het nieuwe paradigma staat haaks op de overheersende stroming. ‘Het denkende ik’ zou in deze benadering niet een leidende, maar meer een assisterende of adviserende rol moeten spelen in dienst van het ervarende geheel van lichaam en geest. Als het ‘denkende ik’ de baas speelt, is dat niet goed voor de persoon, noch voor diens loopbaan en de wereld. Dit blijkt moeilijk uit te leggen en te begrijpen. Zeker in de context van de begeleiding van jongeren. Veel mensen, zeker jongeren, vereenzelvigen zich met hun denkende ik.
Ik meen een goede, verhelderende theorie gevonden te hebben in de Perceptual Control Theory. Mijn artikel Reflecteren over reflectie biedt een beschrijving. Uit reacties hierop merk ik dat veel mensen het boeiend en inspirerend vinden, maar tevens moeilijk te doorgronden, misschien ook wegens weerstanden tegen het beschrijven van de menselijke natuur in termen van een in zekere zin mechanisch model. Sommigen ervaren dat waarschijnlijk als een aantasting in zijn waarde van het denkende ik. Het oude paradigma zit diep verankerd in onze cultuur en misschien zelfs natuur.

‘Paradigmawisseling’ is iets groots en uit de aard der zaak, althans in dit stadium, hypothetisch. De inhoud van de bovenstaande alinea’s kan worden geschraagd met veel wetenschappelijke literatuur, maar bij een belangrijke kern ervan gaat het om een (mens)visie. Een wetenschappelijk proefschrift is hier niet het ideale medium voor. Mijn plannen zijn nu om de intellectuele opbrengsten van en rond het project op andere manieren uit te bouwen en te verspreiden:

  • Dit najaar wil ik een schriftelijke enquête uitvoeren onder de 72 deelnemers aan de trainingen. Daarnaast wil ik de gegevens die zijn verzameld met CDDQ en CAAS analyseren. Over een en ander wil ik in een Nederlandstalig artikel rapporteren.
  • Binnenkort verschijnt er een samen met Albert geschreven hoofdstuk onder de titel ‘Acceptance and Commitment Therapy Fuels Innovation of Career Counselling’ in het boek ‘Career Theory and Models at Work: Ideas for Practice’, geredigeerd door Nancy Arthur, Roberta Neault en Mary McMahon. Het artikel ‘ACT as Innovation for Career Guidance’ in de IAEVG Newsletter (International Association for Educational and Vocational Guidance) biedt een voorproefje.
  • In 2019 verschijnt volgens planning het hoofdstuk ‘Forever Young: Innovating Perspectives on Risks and Possibilities in Developing Career Competencies’ (werktitel) in het boek ‘Innovating career counselling theory, research, and practice’, geredigeerd door Kobus Maree.
  • In maart 2020 verschijnt volgens planning het artikel ‘A Cybernetic View on Career Development: May Perceptual Control Theory inspire the development of a new paradigm?’ (werktitel), dat ik samen met Nancey Hoare, Karel Hurts en Saskia Kunnen schrijf voor een themanummer van de British Journal of Guidance and Counselling over ‘Revitalising career counselling’.
  • Daarnaast ben ik van plan een boek in het Nederlands te schrijven, waarmee ik hoop een groter publiek te bereiken dan doorgaans met een proefschrift het geval is.

Ook al zijn het project ‘ACT in LOB’ en het promotietraject niet precies verlopen zoals beoogd, ik kijk er met voldoening, zonder enige spijt op terug. Ik ben blij te kunnen zeggen dat promotor, copromotor en Albert er hetzelfde over denken.

6 augustus 2018, Tom Luken

Verhuizing naar nieuwe site- en mailadressen

Na vele jaren een trouwe klant bij KPN te zijn geweest ga ik toch verhuizen naar een andere provider.
De reden is dat KPN niet langer TV5 Monde doorgeeft. TV5 is hèt kanaal voor de Franstalige cultuur in de wereld. Het biedt een gevarieerd programma. Bijzonder is dat bij veel programma’s Nederlandstalige ondertiteling geleverd wordt. Onder andere bij veel goede Franse films.
KPN verving TV5 Monde per 1 juli 2018 door France 2. Als toelichting geeft men dat France 2 meer nieuws en sport biedt. Als voorbeelden noemt KPN de Tour de France en het wereldkampioenschap voetbal. Ik vind dit onbegrijpelijk. Er zijn al zoveel zenders die hierover vele uren per dag berichten. KPN houdt er kennelijk geen rekening mee dat France 2 op een Frans publiek in Frankrijk gericht is, terwijl TV5 Monde op de wereld gericht is en de moeite neemt om bij veel programma’s Nederlandstalige ondertiteling te bieden.
France 2 is nu de enige Franstalige zender in het pakket van KPN. Dit is vreemd, omdat Frankrijk een belangrijk buur– en vakantieland is. Waarom maar 1 Franstalige en wel 5 Duitstalige en 7 Engelstalige zenders? Het uitstekende tweetalige kanaal ARTE wordt door KPN alleen in het Duits en niet in het Frans doorgegeven.
Ziggo biedt maar liefst acht Franstalige zenders. Wie weet dat mijn partner Dominique Française is, begrijpt naar welke provider wij nu gaan.
Een consequentie is dat mijn nog in de vorige eeuw gebouwde website voor het eerst verhuist. Het nieuwe adres is tom-luken.nl/welkom.htm
Ook mijn mailadres verhuist voor het eerst na zeker 20 jaar. Het wordt mail@tom-luken.nl
Sorry voor de overlast.

Vragen bij kruisraketten

  • Welk bewijs is er voor de verantwoordelijkheid van het Assad regime voor de gifgas aanval/ramp op 4 april op Khan Shaykhun?
  • Welk belang zou Assad bij deze aanval met gifgassen gehad kunnen hebben? Waarom zou hij de voor hem positieve ontwikkelingen van de laatste tijd (zoals het feit dat de Verenigde Staten het geen prioriteit meer vonden om hem weg te krijgen) op het spel te zetten?
  • Is het niet veel waarschijnlijker dat één van de andere gewetenloze partijen in Syrië, die met lede ogen aanziet dat Assad weer steeds meer heer en meester wordt en de détente met Amerika als gevaar ziet, de gifgasramp geënsceneerd heeft?
  • Zou het bijvoorbeeld niet mogelijk zijn dat de rebellen van Fatah al-Sham, het voormalige filiaal van Al-Qaeda in Syrië, die Khan Shaykhun beheersen, een aanval hebben uitgelokt op een gebouw waar ze een vat Sarin op het dak hadden geplaatst?
  • Als de Verenigde Staten echt geloven dat de gifgasaanval vanuit de luchtmachtbasis al-Shayrat is ondernomen, is het dan niet onlogisch om deze op 7 april massaal met kruisraketten aan te vallen? Wordt hiermee niet juist het vrijkomen van opgeslagen gifgassen geriskeerd?
  • Waarom accepteert de internationale gemeenschap, en met name de Europese landen, zo makkelijk deze volgens internationaal recht illegale actie en de drogreden dat Amerika deze aanval in het belang van de eigen veiligheid zou hebben gepleegd?
  • Als Trump echt zo geroerd is door de stervende baby’s, zou het dan niet logischer zijn om de circa 77 miljoen euro die de 59 Tomahawk raketten gekost hebben,  te besteden aan humanitaire hulp aan vluchtelingen? Of om ouders met jonge baby’s in Amerika te verwelkomen als vluchtelingen?
  • Hoe kan Trump tegelijkertijd oproepen tot het beëindigen van de strijd en zich op deze gewelddadige wijze daarin mengen, met alle risico’s van dien?

Niet

Waarom ik vandaag niet ga stemmen in het referendum over Oekraïne:

  • Dat is niet omdat ik tegen referenda ben.
  • Het is ook niet omdat ik voor het associatieverdrag ben.

Ik ben namelijk tegen het associatieverdrag. Waarom?

  • Dat is niet omdat ik ‘meneer Poetin’ wil helpen.
  • Ook niet omdat ik bang ben dat het Nederland veel geld gaat kosten, de Oekraïense corruptie eerder aanwakkert dan afremt, Nederlandse pluimveehouders oneerlijke concurrentie aandoet of omdat ik een tsunami van Oekraïense immigranten al dan niet gecombineerd met een aids epidemie zou verwachten.
  • Het is evenmin omdat ik Oekraïne medeschuldig acht aan de ramp met de MH17. Ik denk wel dat Oekraïne daar medeverantwoordelijk voor is. De autoriteiten van dat land hebben destijds nagelaten het luchtruim in het oosten te sluiten. Waarschijnlijk was dat niet zomaar nalatigheid, maar een bewuste keuze. Misschien vanuit financieel belang (vliegtuigen in het luchtruim leveren geld op). Of om het ego als veilige staat in stand te houden. Kan met 100% zekerheid worden uitgesloten dat bepaalde autoriteiten een ramp wilden uitlokken, omdat ze voorzagen dat dat in het politieke spel met Rusland sterk in hun voordeel zou uitwerken? Ik kan me een dergelijke gewetenloosheid nauwelijks voorstellen, maar het is een hypothese die mijns inziens niet grondig genoeg is onderzocht. Hoe dan ook, de Oekraïense autoriteiten wisten heel goed dat de rebellen beschikten over Boek raketten en niet zouden aarzelen deze in te zetten tegen Oekraïense militaire of transport vluchten of wat daarop zou lijken. Daarom hadden ze het luchtruim boven rebellengebied moeten sluiten. Als ze dat hadden gedaan had de ramp nooit plaatsgevonden. Hoe ernstig deze kwestie ook is, ik denk niet dat dit bepalend moet zijn voor het al dan niet afsluiten van een associatieverdrag.

De belangrijkste reden waarom ik tegen het associatieverdrag ben is dat ik denk dat het uiteindelijk niet goed is voor Nederland, Europa, Oekraïne en Rusland.

Te vaak wordt vergeten dat Oekraïne twee kanten heeft, die lange tijd bijna even sterk waren: een meer op Europa en een meer op Rusland gerichte kant. In 2004 had de Europese kant de verkiezingen gewonnen. Maar in 2010 is de op Rusland gerichte Viktor Janoekovytsj president geworden na democratische verkiezingen gewonen te hebben van Joelija Tymosjenko.

Het associatieverdrag heeft gewerkt als een splijtzwam. Europa, onder andere in de persoon van minister Timmermans op het Maidan plein, heeft voorstanders van het verdrag aangemoedigd tot demonstratie en verzet, met als uiteindelijke effect bloedige strijd, het afzetten van de president, de annexatie van de Krim door Rusland (overigens vrijwel zonder enig bloedvergieten en met instemming van de meerderheid van de plaatselijke, grotendeels Russische bevolking) en een burgeroorlog. Europa heeft de relatie met Rusland steeds meer een machtsstrijd laten worden en Oekraïne daarin een speelbal.

Op dit moment denk ik dat Oekraïne het best af is als buitenlandse krachten zich er zo weinig mogelijk mee bemoeien zodat het zelf de interne problemen kan oplossen. Hulp uit het buitenland moet zo onpartijdig mogelijk zijn (bijvoorbeeld IMF).

Ik ben niet zeker van mijn zaak, maar dit is wat ik denk. Waarom ga ik mijn tegenstem dan straks niet uitbrengen?

Het referendum is raadgevend. Het zal weinig concrete invloed hebben, temeer daar het slechts om de stem van één land gaat over reeds gedane zaken. De uitslag van het referendum heeft vooral symbolische waarde, een signaalfunctie. De kans is groot dat mijn tegenstem verkeerd zou worden geïnterpreteerd als een signaal tegen Europa, voor Rusland, voor xenofoob eigenbelang of wat dan ook. Daarom ga ik niet stemmen maar heb ik daarvoor in de plaats als signaal dit blog geschreven.

Wankele vooronderstellingen over reflecteren

Eerder deze zomer is mijn hoofdstuk ‘De schaduw van reflectie‘ gepubliceerd. Dankzij een reactie hierop van Ben Wilbrink maakte ik kennis met diens interessante site. En zo kwam ik bij het artikel ‘On the epistemological presuppositions of reflective activities‘ van Nina Bonderup Dohn. Ik las dit met veel plezier en respect voor de heldere gedachtegang en schrijfstijl. Het artikel biedt een grondige uitwerking voor een stelling die ik al een tijdje verdedig, namelijk dat niet alleen de effecten van reflecteren in de praktijk vaak tegenvallen, maar dat ook de vooronderstellingen die aan reflecteren ten grondslag liggen, op z’n minst discutabel zijn.

In het hoofdstuk ‘De schaduw van reflectie’ betoog ik dat er te weinig gereflecteerd wordt over reflecteren in de zin dat we weinig leren van de ervaringen die met reflecteren worden opgedaan. De stelling komt voort uit de definitie van reflectie als “nadenken over ervaringen om ervan te leren”. De resultaten van het overigens te zeldzame onderzoek naar de effecten van reflecteren worden te weinig gebruikt om reflectietheorieën en -praktijken kritisch te beschouwen en te verbeteren.

Dohn maakt duidelijk dat er ook in andere zin te weinig gereflecteerd wordt over reflecteren. In dit geval vanuit een andere definitie van reflecteren, namelijk die van niemand minder dan Dewey zelf, algemeen gezien als oudere grondlegger voor de actuele reflectiepraktijken. Zoals op de site van Ben Wilbrink te lezen valt, omschrijft Dewey reflecteren als volgt: “… the ground or basis for a belief is deliberately sought and its adequacy to support the belief examined. This process is called reflective thought….”. Waarom we volgens Dewey moeten reflecteren, maakt hij duidelijk als hij zegt: “The consequences of a belief upon other beliefs and upon behavior may be so important … that men are forced to consider the grounds or reasons of their belief and its logical consequences. This means reflective thought…”.

Met andere woorden: We moeten volgens Dewey reflecteren in de zin van bewust op zoek gaan naar de gronden voor wat we geloven. De geldigheid van die gronden moeten we onderzoeken. Waarom? Omdat de consequenties van wat we geloven zo belangrijk zijn. Voor de andere dingen die we geloven en voor onze handelingen. Veel te weinigen doen wat Dohn doet, namelijk onderzoeken waarom we geloven dat reflecteren waardevol is en deze redenen ter discussie stellen.

Over welke vooronderstellingen heeft Dohn het? Zij gaan over competentie, kennis en leren en over de relatie tussen denken, communicatie en handelen. Het gaat om assumpties die zelden geïdentificeerd worden en nog minder bediscussieerd.  Zij analyseert twee concrete, gangbare reflectiepraktijken, namelijk reflectieve dagboeken schrijven en reflectieve dialogen voeren. Enkele van de meer specifieke vooronderstellingen die zij signaleert, zijn de volgende:

  • Reflecteren is een proces van (transformatie van) mentale representaties. Dit proces wordt geholpen door talige voorstellingen, waardoor het tevens communiceerbaar wordt.
  • Het is mogelijk adequate voorstellingen van het eigen begrip, de eigen competentie en het eigen handelen in situaties te maken. Dit betekent onder meer dat het proces van voorstellen de aard van het begrip, de competentie en de verrichte handelingen niet verandert.
  • Het is mogelijk om kennis te verwerven door transformatie van talige voorstellingen. Reflecteren resulteert in dit soort kennis.
  • Er is een nauwe relatie tussen denken en handelen. Denken, praten of schrijven over handelwijzen is een effectieve manier om deze te veranderen. In voorstellingen opgebouwde kennis kan worden toegepast in situaties.

In deze en dergelijke vooronderstellingen klinkt het standaardparadigma van leren door. Dit is gebaseerd op het Cartesiaanse wereldbeeld dat nog steeds alomtegenwoordig is. Het individu heeft in dit paradigma een rationele, onafhankelijke geest die van buiten af de wereld en het handelen beziet. Het leren is in dit model een mentaal, verbaal, logisch proces, dat transparant is voor de persoon. De resultaten van dergelijk leren kunnen zonder meer worden toegepast in het handelen in de externe wereld.

Tegenover de vooronderstellingen onder reflecteren neemt Dohn de stelling in dat er buiten het Cartesiaanse denken geen enkele reden is om aan te nemen dat competentie bestaat uit talige of mentale voorstellingen. De relatie tussen denken en communiceren in de ene situatie en handelen in de andere situatie is veel minder duidelijk dan de reflectiepraktijk vooronderstelt. “If adequate action in point of fact relies on a tacit, practical embodied understanding that has primacy over linguistic expressions of rules, then any representation of adequate action will be a reconstruction that has an essentially different ontological nature than the phenomenon it aims to represent.” (685)

In haar argumentatie leunt Dohn op de filosofie van Wittgenstein, de leermodellen en research van de gebroeders Dreyfus en ‘the emerging view’ op leren. Leren is volgens de meer recente inzichten vooral praktisch, impliciet en lichamelijk. Het gaat om holistische patronen van waarnemen en handelen in concrete contexten. Reflecteren en communiceren zijn uiteraard ook belangrijk, maar zijn zelf contextgebonden. Inzichten kun je niet zomaar transfereren naar andere contexten, zij moeten daar opnieuw worden opgebouwd. Dit transfereren vereist een eigenstandig leerproces, dat veelal on(der)belicht blijft.

Dohn concludeert dat de vooronderstellingen rond reflecteren theoretisch misleid(end) en naïef zijn. Daardoor loopt men in de reflectiepraktijk het risico in valkuilen te trappen. De belangrijkste zijn:

  • Reflecteren leidt tot een afzonderlijke praktijk. In de reflectiesituatie gelden eigen evaluatiecriteria, waarbij de docent, supervisor en/of collega-reflecteerders hoofdrollen spelen. De persoon kan heel goed volgens deze criteria leren reflecteren, maar of dat in de situatie waar het over gaat werkelijk iets uitmaakt, is heel onzeker. Want:
  • De gereflecteerde werkelijkheid bestaat uit meerlaagse mentale representaties. Deze zijn opgebouwd aan de hand van de normen en waarden van de reflectiesituatie en niet die van de realiteit waarop de reflectie betrekking heeft. Uiteindelijk zijn de mentale representaties zelfreferentieel. Zij hebben geen directe relatie met de situaties waar het over gaat. Hoe meer er gereflecteerd wordt, des te groter wordt de afstand tot de werkelijkheid, omdat deze ‘niet terug kan praten’. Een citaat van een student ter illustratie: “I have used the portfolio to record meaningful experiences, which then became more meaningful after the first articulation — and led to further reflection and articulation.” (700)(N.B. het betoog van Dohn sluit hier goed aan bij het boek van McGilchrist, The Master and his Emissary. Klik hier voor een korte of hier voor een lange bespreking van dit boek.)
  • Het reflecteren leidt tot excessieve preoccupatie met zichzelf, oftewel navelstaarderij.

Voorstanders van reflecteren betogen dat reflecteren de afstand tussen praktijk en leren kan verkleinen. Volgens Dohn is er juist een grote kans dat reflecteren die afstand vergroot. Om de afstand te verkleinen moet de lerende een grote betrokkenheid bij en openheid voor de situatie hebben. Het alternatief dat zij aanbiedt is ‘situated reflection’. Hiermee bedoelt zij een conversatie waarbij de persoon handelt en de situatie ‘antwoordt’, overigens niet in woorden.

Literatuur

Dohn, N. B. (2011). On the epistemological presuppositions of reflective activities. Educational Theory, 61, 671-708. [Lezers die graag kennis willen nemen van dit artikel, maar er geen toegang toe hebben, verstrek ik op verzoek graag een exemplaar.]

McGilchrist, I. (2009). The Master and his Emissary: The Divided Brain and the Making of the Western World. New Haven/London: Yale University Press.

Start blog

Geïnspireerd door de blogs van Mirjam Van Esch en Bas Vlemminx ga ik ook eens experimenteren met dit medium.

Ik ben van plan om in dit blog te schrijven over dingen die ik graag deel met anderen. Waarschijnlijk zal het vooral gaan over loopbaanontwikkeling. Bijvoorbeeld over interessante artikelen, onderzoeksrapporten of discussies. Berichten over bijvoorbeeld politiek, kunst of natuur zijn niet uitgesloten. Maar ik neem me voor heel selectief te zijn en niet vaker dan één of twee keer per maand te posten.

In mijn eerste post reageer ik op een artikel van Annelies van Vianen in LoopbaanVisie. Haar artikel borduurde voort op een discussie tussen Frans Meijers en mij over de ontwikkeling van zelfsturing. Ik bepleit in een open brief dat we onderscheid moeten maken tussen zelfregulering en zelfsturing. En ik waarschuw voor mogelijke negatieve consequenties van een rugzak met zelfkennis. Omdat de discussie in LoopbaanVisie door de toenmalige hoofdredacteur gesloten is, reageer ik in deze vorm. Reacties welkom!

Wilt u automatisch op de hoogte gesteld worden van nieuwe posts op dit blog, klik dan links bovenin het scherm op +Volg (Of stuur een e-mailtje naar tluken@planet.nl). Opzeggen kan altijd.

Open brief aan Annelies van Vianen